Doopsel :
het sacrament van toetreding tot de Kerk.
In het doopsel worden de zonden afgewist, door het doopwater.
Bij het doopsel hoort onverbrekelijk geloof in God en de leerstellingen van de Kerk.
Bij kleine kinderen gaat het om de erfzonde.
Bij de doop van volwassenen geeft de volwassene aan dat hij/zij voortaan als christen wil leven.
Bij kinderdoop geven de ouders aan (zij beloven) dat zij hun kinderen christelijk willen opvoeden. Door de doop behoort de gelovige dus bij het volk van Christus. De doop mag in tijd van nood (levensgevaar) door iedereen worden uitgevoerd, ook niet gelovigen, mits die persoon bezield is van de vereiste intentie, waarmee bedoelt is dat zij wil doen wat de kerk doet en de trinitaire doopformule (ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest) gebruikt. Normaal wordt de doop verricht door een priester of diaken.
contact opnemen met
Als u uw kindje wil laten dopen
Dopen gebeurt in principe in de kerk van je huidige woonplaats.
Wie kiest om zich of zijn kindje te laten dopen, zet een belangrijke stap in de christelijke opvoeding. Het is dan ook noodzakelijk dit gebeuren zorgvuldig voor te bereiden.
Het sacrament van het Doopsel is een gebeuren dat de ganse kerkgemeenschap aangaat en vergt een noodzakelijke voorbereiding, zowel in het gezin als in de kerkgemeenschap
Er is in verschillende kerken nagedacht over de vraag of de kinderdoop eigenlijk wel een goede praktijk is. Is het niet veel beter te wachten tot het kind mondig genoeg is om zelf te beslissen of het gedoopt wil worden? In de katholieke traditie is het antwoord op die vraag eenduidig: neen. Uiteraard kan een kind nog niet geloven. Daarom kan en moet het worden gedoopt op grond van het geloof van de ouders of verzorgers. Omdat de ouders deel uitmaken van de plaatselijke geloofsgemeenschap, die weer onderdeel uitmaakt van de wereldkerk, is het uiteindelijk de gehele Kerk die met haar geloof garant staat als een kind wordt gedoopt.
De doop is in de traditie van de Kerk steeds met een rijk ritueel vormgegeven.
De doop van kinderen geschiedt tegenwoordig met een ritueel dat de geest van het Tweede Vaticaans Concilie ademt. De kern van dat ritueel bestaat nu, net als vroeger, uit drie momenten:
het zegeningsgebed over het water,
de afzwering van het kwaad en de geloofsbelijdenis,
en het doopsel.
1. Wat zijn de kerkelijke richtlijnen aangaande het kinderdoopsel?
1.1 Kerkelijk Wetboek van 1983:
canon 851, 2 zegt dat de ouders zich behoorlijk moeten voorbereiden op het doopsel van het kind
- can 856 dat het bij voorkeur op zondag wordt gevierd
- can 860 dat het normaal in de parochiekerk gevierd wordt en slechts in noodgevallen in een privaat huis of materniteit
- can 867, 1 De ouders zijn gehouden aan de verplichting ervoor te zorgen dat hun kinderen binnen de eerste weken gedoopt worden; zo spoedig mogelijk na de geboorte, en zelfs al voordien, dienen zij zich tot de pastoor te wenden om het sacrament voor hun kind te vragen en om naar behoren hierop voorbereid te worden.
(commentaar perspectief wissel: doopsel niet langer "quam primum=zo vlug mogelijk"; wel zo vlug mogelijk contact nemen om voorbereiding naar behoren te starten)
-can 868,
§ 1 Opdat een kind geoorloofd gedoopt wordt:
- moeten de ouders, ten minste één van hen of degene die wettig hun plaats inneemt, toestemmen;
- moet gegronde hoop aanwezig zijn dat het in de katholieke godsdienst zal opgevoed worden; als deze volkomen ontbreekt, dient het doopsel volgens de voorschriften van het particulier recht uitgesteld te worden, waarbij de ouders van de reden op de hoogte gebracht worden.
§ 2 Een kind van katholieke ouders, en zelfs van niet-katholieke, wordt in stervensgevaar geoorloofd gedoopt, ook als de ouders dit niet willen
(commentaar: uit §1 spreekt de bekommernis v.d. kerk voor de christelijke opvoeding van de dopeling; § 2 vertolkt op een problematische manier een ongerustheid over het lot v.d. kinderen die sterven zonder doopsel [can 871 spreekt daarom ook over het doopsel van levende abortieve foetussen])
1.2. Geloofsboek v.d. Belgische Bisschoppen (1987)
Het doopsel wordt er geduid als een opname in het leven van God en de christelijke gemeenschap. Er wordt ook gezegd dat een kind nooit kan gedoopt worden tegen de wil van de beide ouders in. Er wordt sterk de nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid van ouders en dooppeten inzake de christelijke opvoeding van de dopeling en hun plicht om zich op deze taak ernstig voor te bereiden.
Op dit engagement moeten ouders ernstig voorbereid worden, en ook op hun verantwoordelijkheid om hun kind gelovig op te voeden. Voor sommige ouders kan dit vandaag een echt catechumenaat worden, een vrij lange voorbereidingstijd, waarin zij hun eigen geloof opnieuw ontdekken en weer naar de gelovige gemeenschap toegroeien (p. 102).
1.3 De Katechismus van de katholieke Kerk (1995) (nrs. 1250-52)
- de katechismus hanteert nog de opvatting over de erfzonde (1250)
- het kinderdoopsel is duidelijk een blijk van de gratuïteit v.h. heil
2. Argumenten tegen het kinderdoopsel in de geseculariseerde context:
- het is een inbreuk op de individuele vrijheid van het kind
tegenargument: neutrale opvoeding is een illusie
- in een pluralistische, geseculariseerde maatschappij is de christelijke opvoeding nauwelijks nog gewaarborgd
tegenargument: de kerk moet aan haar zending beantwoorden, maar de normen v.d. maatschappij moeten haar handelen niet bepalen
- men houdt de illusie in stand van de "christenheidskerk" waarin wie gedoopt wordt ook wellicht christen-gelovige zal worden
3. Op zoek naar een aangepaste pastoraal
Op basis van deze doctrinele en kerkrechterlijke bepalingen zijn meerdere pastorale houdingen mogelijk:
* pleiten voor een vriendelijke en onthalende kerk die vindt dat de vraag v.d. ouders voor een kinderdoopsel reeds een voldoende blijk van geloof inhoudt, dus eigenlijk is de voorbereiding v.d. viering voldoende;
* het doopsel stelt zowel een objectieve als een subjectieve werkelijkheid daar: de viering brengt tot uitdrukking dat wij met Christus sterven en verrijzen (Rom. 6,4-7) en deze heilswerkelijkeid moet persoonlijk be-aamd worden in geloof. Het verzekeren van een christelijke opvoeding is slechts de enige zinvolle optie om niet in een magisch handelen te vervallen. Als de baby al niet kan beamen dan moet men toch alles doen opdat het kind/jongere dit doopsel later in het leven zal tot bloei laten komen en daartoe is een gelovige opvoeding onontbeerlijk;
* het geloof van de gemeenschap is noodzakelijk opdat het kind tot een authentiek christen zou uitgroeien
3.1 Instructie Pastoralis Actio (20/10/1980)(1)
- de pastorale oplossingen van een langdurig catechumenaat voor iedereen of een doopuitstel tot de leeftijd waarop men zelf kan kiezen worden verworpen.
In het derde deel worden een aantal pastorale richtlijnen gegeven door de Congregatie voor de Geloofsleer.
In een inleidende paragraaf stelt de Congregatie duidelijk dat het "doopsel van kinderen voor een ernstige plicht moet worden gehouden".
"Er moeten waarborgen worden gegeven, dat deze gave door een echte opvoeding tot geloof en christelijk leven zo kan groeien, dat de 'werkelijkheid' van het sacrament tot volle ontplooiing komt. Deze waarborgen worden gewoonlijk door ouders of verwanten gegeven, hoewel zij op verschillende manieren in de christelijke gemeenschap kunnen worden aangevuld. Indien deze waarborgen echter in werkelijkheid niet ernstig zijn, kan dat een reden zijn waarom het sacrament wordt uitgesteld; wanneer er tenslotte zeker geen waarborgen zijn, moet het sacrament beslist worden geweigerd" (kol. 726).
Deze passage houdt een sterke nuancering in van het principe van de heilsnoodzakelijkheid van het doopsel dat gedurende lange tijd gold als de alles overtreffende motivatie voor de kinderdoop.
Het document gaat verder in op het pastoraal gesprek met gelovige gezinnen.
De bedoeling ervan is zich te vergewissen van de werkelijke motieven van de doopaanvraag en om zich een beeld te vormen van de perspectieven voor een gelovige opvoeding van het kind. Daarnaast wordt groot belang gehecht aan de aanwezigheid en de actieve deelname van de ouders bij de doopselviering.
De Congregatie beseft ook dat het kan gebeuren dat pastores worden benaderd door ouders met een middelmatig geloof en die hun geloof slechts bij gelegenheid praktiseren, of ook door niet-christelijke ouders.
In zo'n geval moet de pastor zich openhartig en welwillend opstellen, maar hij moet hen wel herinneren aan de verplichting die ze aangaan. Indien deze mensen voldoende waarborgen kunnen geven voor de geloofsopvoeding van hun kind, zal het doopsel niet geweigerd worden. Maar in het geval deze waarborgen onvoldoende blijken, wordt het doopsel uitgesteld (pedagogisch uitstel) zodat er de gelegenheid is om het geloof te verdiepen en zich bewust te worden van de verantwoordelijkheden die men op zich neemt. Wanneer er na deze periode nog geen garantie is op een gelovige opvoeding moet eventueel gekozen worden voor een catechumenaat in de tijd dat het kind naar school gaat.
Tenslotte wordt gezegd dat de dooppastoraal moet ingeschakeld worden in een alomvattende pastoraal voor verloofden, enz. vermits het christelijk leven niet mag ophouden na de liturgische viering van het doopsel.
3.2 Meersporen beleid voor de dooppastoraal?
3.2.1 Er zijn mensen die het nieuwe leven willen vieren en voor het christelijk ritueel kiezen omdat er in onze maatschappij voorlopig geen ander beschikbaar is. Zou men deze mensen alternatieve vieringen kunnen aanbieden waarin het ongearticuleerd religieus gevoelen gethematiseerd wordt en indien gewenst de poort opent op een meer specifieke christelijke doopvoorbereiding? Zo'n viering kan uitlopen op een zegening van kind en ouders, die heeft altijd bestaan. (herwaardering van de sacramentaliën in het christelijk leven). Deze mening vinden wij ook terug in het document Ritueel en Sacrament (2002).
Toch zal deze "kinderzegen" of een nieuw ritueel gemakkelijk als iets kunstmatigs worden ervaren:
"In feite zal een kinderzegen toch ervaren worden als iets minderwaardigs. De mensen gaan de indruk krijgen dat de Kerk hier iets nieuws invoert, waarvan zij het statuut en de noodzaak moeilijk begrijpen" (2)
In zijn licentiaatsverhandeling schrijft Bart DEVOS:
"Een derde alternatieve weg bestaat erin het doopsel op te schuiven naar een paar maanden na de geboorte, om de ouders de kans te geven zich te bezinnen over de doopaanvraag voor hun kind en hen de kans te geven zich op het doopsel voor te bereiden, bijvoorbeeld in de vorm van catechese. Hier kan men dus als het ware spreken van een catechumenaat voor de ouders. Bij de geboorte zelf zou men dan een verwelkomingsviering kunnen houden waarbij enerzijds de geboorte van het kind gevierd wordt, en anderzijds ook zijn opname in de familie en in de christelijke gemeenschap. Bij een dergelijke viering gaat het dus niet louter om het vieren van de geboorte op zich. Een dergelijke viering heeft altijd plaats met het oog op een toekomstig doopsel. Het idee van een verwelkomingsviering is in feite ontstaan bij de baptisten, die enkel dopen op volwassen leeftijd. Al sinds de achttiende eeuw hebben zij de gewoonte om de geboorte van een kind op een gelijkaardige wijze te vieren" (3).
Het grote voordeel van deze benadering is dat men de "alles of niets" situatie overstijgt en een ernstige poging doet om het aspect geloofsopvoeding ernstig te nemen. De moeilijkheid hier is wel dat mensen tegenwoordig het doopsel vaak komen vragen maanden na de geboorte en dan vaak geen langer uitstel zullen aanvaarden.
3.2.2 Er zijn geen echt objectieve criteria om het geloof van mensen te meten. Men zal altijd moeten onderscheiden op basis van beperkte gegevens die in een bepaalde richting wijzen.
Paul Pas: "aan de andere kant vind ik het wel erg als ouders hun kind laten dopen opdat het later in orde zou zijn. Dit is als motief onvoldoende. Zo er geen christelijke beïnvloeding te voorzien is vanwege de ouders, zou het kind beter niet worden gedoopt. Alleszins zou zulk motief voor mij niet volstaan. En het ware voor de kinderen zelf ook beter: dan kunnen ze desgevallend zich later nog laten dopen; dat is dan een persoonlijke ontdekking van het geloof" (4)
De huidige hulpbisschop van Brussel, Jozef De Kesel, schreef destijds:
"Hoe komt het toch dat zoveel mensen vragen dat hun kind gedoopt wordt? (...) Deze mensen zijn geenszins onlogisch noch inconsequent. Liturgie en sacramenten kaderen voor hen in een ander betekenis geheel. (...) Het gaat er niet om dat ze nog in een catechumenaal stadium zouden zijn. Neen, zij hebben gewoonweg een andere kijk op godsdienst en Kerk. Zijn zien het christendom anders dan het zichzelf begrijpt" (5).
Dit geeft dan duidelijk aan dat er een uiteengroeien bezig is van vraag en aanbod. Mensen zoeken aan het begin van het leven een religieus ritueel ("rite de passage" - overgangsritus, zoals de godsdienstsociologen het noemen) en de Kerk biedt een engagerend sacrament aan dat normaal gezien geloof veronderstelt en inlijft in de heilsgemeenschap van de Kerk om er ook als actief lid in te leven.
- de keuze voor een individuele voorbereiding en doopviering
wordt vaak gemotiveerd door de onvervangbaarheid van het persoonlijk contact en de kans dat het gesprek met de ouders dieper kan gaan dan wanneer het in groep zou plaats hebben ofwel om persoonlijke of familiale redenen (armoede, ongeletterdheid, priester in de familie)
- de keuze voor een afzonderlijke voorbereiding en gezamelijke viering
hierdoor behoudt men het optimale van het persoonlijke contact in het voorbereidend gesprek (idealiter) en de gemeenschappelijke viering onderlijnt toch sterker het gemeenschapskarakter van het doopsel dat ook opname is in de plaatselijke geloofsgemeenschap
- de keuze voor een gezamelijke voorbereiding en viering
* deze wil vooral een optimale kans bieden om aan catechese met volwassenen te doen, waar de doopcatechisten in een individuele voorbereiding niet zo gemakkelijk aan toekomen, het accent ligt dan meestal op de voorbereiding van de viering
In zijn artikel schrijft Pol Hendrix: doopkatechisten hebben meestal een goed contact met de ouders en helpen hen de liturgie van het doopsel te verstaan, maar toch hebben ze vaak de grootste moeite met het geloofsgesprek, waarin de zin van het doopsel aan de orde is(6)
de interactie van de ouders biedt meer mogelijkheden als het mogelijk is tot een geloofsgesprek te komen, aan volwassenkatechese te doen, want velen kennen het ABC van het christendom niet meer - hoe zullen zij dan de gelovige opvoeding van hun kinderen ter harte nemen?
* zou het ook niet nodig zijn om met het hele gezin op weg te gaan (minstens de beide ouders)
Voor welke dooppastoraal kiezen wij in de federatie? Wie is er beschikbaar om dit mee te dragen?